Deze indeling van mens – natuur relaties komt uit mijn Ph.D. onderzoek (Zegers 2020) en bestaat uit 6 soorten relaties, van de direct zintuigelijke relatie tot de abstracte zakelijke relatie.  

1. Het niveau van het lichaam, de zintuigen. Op dit niveau is er continue blootstelling en uitwisseling. De betekenis  ervan is context afhankelijk. Mensen die de natuur ingaan ervaren soms een groter bewustzijn of een directe ervaring van ‘uitwisseling’ met een aanwezige levende natuur. De ervaring van uitwisseling doet mensen beseffen dat niet menselijke anderen en de natuur als geheel actoren zijn. Actoren vertonen ‘agency’. Agency wil zeggen gevoelig zijn, bewustzijn hebben, beslissingen maken al naar gelang de omstandigheden en de context. 

2. Het niveau van een ‘call’ van de natuur, een roep. De ervaring van uitwisseling doet iets waardoor mensen in actie willen komen, iets willen doen om uiting te geven aan de ervaring van uitwisseling. Vaak leidt bewustzijn op dat niveau tot een behoefte om vaker (zo niet de hele tijd) de natuur in te kunnen. Het kan ook leiden tot de behoefte om de natuur te beschermen. Op dit niveau zijn mensen ontdekkingsreizigers als het gaat om de natuur, terwijl ze zich tegelijkertijd moeten verbinden met de cultuur (hun eigen en anderen), wanneer ze weer terug zijn onder de mensen. Dat is dan weer de menselijke kant van de dingen, de conventies en de bestaande (economische) manieren van omgaan met de natuur.  

3. Het coöperatieve niveau. Werken in de natuur en met de natuur maakt ons bewust dat dieren / de natuur betekenis dragen en cultuur hebben, zoals mensen die hebben. De hond en de herder zijn afhankelijk van elkaar en werken samen om de schapen te drijven. Maar elke hond (en elk schaap of elke koe) is net anders, zoals mensen dat zijn. Dat (h)erkennen van de eigenheid van dieren (en elk individueel dier) helpt de herder om het hoeden goed te kunnen doen.  

4. Het differentiërende niveau. Op dit niveau gaan we meer beschouwen en wat afstand nemen van de directe ervaring. Het waarnemen van verschillen in de natuur, leidt tot het opmerken van verschillende dieren en planten in (cultuur)landschappen. Dit is het kennen van de natuur in menselijke termen, het classificeren en archiveren. Taxonomieen maken en evolutionaire biologie bedrijven uit nieuwsgierigheid naar het onstaan van soorten (zolas mensen die onderscheiden). 

5. Het managementniveau. Op dit niveau is de menselijke cultuur nog dominanter, de natuur wordt begrepen als krachtig, maar de menselijke activiteiten zijn gericht op technologie en wetenschap, waarbij de natuur wordt gezien als complex, maar op dit niveau is de natuur er om gecontroleerd te worden en geheel ten dienste te staan van mensen. Doorleefde ervaring maakt plaats voor abstracte schema’s, planningen, technologie en manipulatie om de natuur ‘beter’ te maken.

6. Het eigendomsniveau. Dit is een uitbreiding van het managementniveau. Macht over en afstand tot de natuur maakt de opvattingen over de natuur nog verder abstract. Contracten en financiële transacties worden dominant. Dit is het domein van de milieu-economische theorieën, het uitdukken van de waarde van ‘de natuur’ in termen van kosten en opbrengsten voor een eigenaar (de mens) of voor de mensheid (ecosysteemdiensten). De natuur wordt onderdeel van scenario planning, en van winst- en verliesprognoses van de financiele wereld. 

 

nl_NLNL